Twee Trage tochten, dichtbij en toch nieuw

Trage Tocht Duursche Waarden
lengte: 11 kilometer
15% verhard, 85% onverhard

Binnen een straal van 50 kilometer van huis valt er heel wat te wandelen. Ik zoek altijd zoveel mogelijk  naar wandelingen die nieuw zijn, plekken die ik niet of nauwelijks ken of waarvan ik vergeten ben dat ik er ooit ben geweest.
Van de Duursche Waarden weet ik dat ik er nog nooit was. Het stond nog ergens op een lijstje en op 2e Pinksterdag moest het er maar eens van komen. We hadden ingecalculeerd dat het  druk zou kunnen zijn in dit prachtige gebiedje, niet ver van Zwolle. En dat was zo, veel mensen waren eropuit getrokken vandaag.
De wandeling gaat door de uiterwaarden van de IJssel. In de Duursche waarden heeft men geprobeerd het oorspronkelijke rivierenlandschap met ooibossen en moerassen terug te brengen. De hond vindt de drijfbrug eng, maar blijft niet achter, want dat is nog enger. De brug voert ons naar de ruige graslanden aan de overzijde. We gaan door een ooibos, een groen oerwoud rond een kolk met kwakende kikkers. We bezoeken een vogelkijkhut, en bespeiden ongegeneerd de vogels. Geen idee wat het allemaal voor vogels zijn, maar het zijn er veel.
Met een ingenieus trekpontje zetten we onszelf over een watertje en lopen vervolgens ruim twee kilometer langs de levendige IJssel. We passeren een oude steenfabriek. Slechts een klein stukje asfalt bevat de route. We eindigen de tocht met een pad door de graslanden, gaan de drijfbrug voor een tweede keer over en staan dan weer op de parkeerplaats van Infocentrum IJssel, waar we gestart zijn.

Trage Tocht Dalfsen Hessum
Lengte: 13 kilometer
15% verhard, 85% onverhard

De Trage Tocht die ik vandaag liep met de hond is, in tegenstelling tot de wandeling van vorige week, uitzonderlijk rustig. Ik doorkruis bossen, heidevelden, landgoederen en kom helemaal niemand tegen. Ja, twee wandelaars, drie honden, twee reekalfjes en op een enkele asfaltweg rijden wat fietsers. Mocht je je willen bezinnen op wat dan ook, aan een wandelmeditatie toe zijn, loop dan vooral deze heerlijke wandeling.
Aan het begin van de route passeer ik het mooie Huize Wessum (1830). Ik ga verder over zandpaden, de koeien komen nieuwsgierig toegesneld. Het Vilstersche Veld is een groot heideveld, met een bankje op de top van een heuvel, waar ik een pauze inlas. Ik passeer enkele fraaie boerderijtjes met gezellige luikjes in rood en geel. De route bevat veel particulier terrein dat voor wandelaars is opengesteld, waarvoor mij hartelijke dank. Kortom dit is een hele fijne afwisselende en rustige wandeling.

Weer thuis

Schotland, the final episode

Tja, je kijkt er lang naar uit en voor je het weet zit je weer thuis, met een beetje een leeg gevoel. Thuis is het goed, is het fijn, daar zijn de mensen waar ik van houd, maar wat zou ik het heerlijk vinden om zo’n Schots landschap wat dichterbij te hebben. Ik voel me er thuis, misschien moet ik toch eens mijn stamboom uitzoeken, wellicht zitten er ergens Schotse roots verstopt.

Onze laatste wandeling stemt vrolijk, triest, hoopvol en hopeloos door elkaar. Een uiterst smal weggetje brengt ons naar Carsaig aan de Firth of Lorn. We lopen onderlangs de kliffen, op weg naar natuurlijk gevormde bogen. Het pad is slecht, sommige stukken zijn weggeslagen en andere stukken zijn behoorlijk tricky. En ik heb hoogtevrees, maar er zijn er in deze groep, die er nog meer last van hebben dan ik. Sterker nog, dat over die randjes lopen ….. het went.
Na de lunchpauze besluit de gids niet verder te gaan. Het is nog zeker drie kwartier lopen en die drie kwartier moeten we dan ook weer terug. Geen bogen dus.
We lopen terug over de rotsen. Het is eb, de gaten en geulen hebben zich gevuld met de meest fantastische zeediertjes, krabbetjes en anemonen. We vinden een puntgaaf fossiel van een schelp in een rots. Zolang je de gladde groene algen en wieren mijdt, kun je heel gemakkelijk over de rotsen lopen. Het is van een niet te evenaren schoonheid, ware het niet dat tussen al die stenen en rotsen, zich zo vreselijk veel plastic heeft opgehoopt. Door de stroming komt juist hier al die klerezooi aan wal. En schoonmaken is onbegonnen werk. Ten eerste omdat je er niet goed bij kunt komen en ten tweede omdat het zo veel is, dat je vrachtwagens nodig hebt om het af te voeren. Wat mensen doen om erger te voorkomen, is het plastic verzamelen en onder grote stenen leggen, zodat het in ieder geval niet opnieuw in de oceaan verzeild raakt. Ik kan er wel om janken en schaam me dood; wat maken we er met zijn allen een ongelofelijke klerezooi van. De Zweedse Eva haalt nog wat lastige stukken tussen de rotsen vandaan, zij beweegt heel gemakkelijk en licht en zij heeft helemaal geen hoogtevrees. Met dit gevoel je laatste wandeling afsluiten is dubbel en harde realiteit. Er is werk aan de winkel, we moeten alternatieven bedenken, we moeten het anders willen, maar vooral moeten we het anders doen.

’s Avonds maak ik nog een allerlaatste wandeling over het strand bij het hotel.
We reizen terug naar de ferry, die ons naar Oban brengt. Het is een beetje benauwd, de eerste midges hebben ons te pakken. “Midges for nothing and ticks for free”, grapte Richard eerder deze week al, vrij naar Dire Straits.
In Oban blijven Jörg en Cornelia achter. In Glasgow nemen we afscheid van Richard, Beth en Anne en Tracy. Eva en Ann, reizen met mij mee naar Amsterdam, waar ze op het vliegtuig naar Stockholm overstappen. Ons vliegtuig gaat pas over een paar uur. We maken er een gezellige boel van en nemen onze intrek in de lounge van het Holiday Inn hotel, waar we tussen luidruchtige voetbalsupporters terecht komen. We lunchen en drinken koffie en worden zo goed verzorgd door een geweldig grappige Schotse serveerster, die zo’n plezier in haar werk heeft, dat onze tip bestaat uit al ons overgebleven Schotse geld. Ze mag niet mopperen. Doet dat ook niet en zegt wel tien keer, “thank you, so much”.


Het vliegtuig heeft vertraging. Ik zit naast een jonge vrouw uit Bremen, die zo graag haar aansluitende vlucht wil halen, omdat ze terugkeert naar huis, na een periode in Glasgow te hebben gestudeerd. Het lijkt niet te gaan lukken, maar uiteindelijk toch weer wel. Ik hoop het voor haar. Ik zeg mijn Zweedse wandelmaatjes gedag en sta letterlijk en figuurlijk weer met beide benen op de grond.

Na een paar dagen, boek ik wederom een langgekoesterd wensreisje naar Schotland en wel naar de Shetland eilanden in juli 2020. 12,5 uur varen en 10 graden Celsius in de maand juli.
Het helpt ……. een beetje.
Links:
https://www.ardachy.co.uk/
https://aboutargyll.uk/

 

Staffa, Iona en Columba

Schotland, deel 6

De week vliegt voorbij en de laatste wandeldagen dienen zich aan. We zijn een mooi hecht internationaal wandelgezelschap geworden. Donderdag staat een boottripje naar het eiland Staffa op het programma met een transfer naar het eiland Iona.
Staffa is een vierkant blok basalt in zee. Ik kom tot de ontdekking dat we er al een aantal keer tegenaan hebben gekeken, tijdens onze wandelingen.

Deze slideshow heeft JavaScript nodig.

Met  een boot varen we naar het indrukwekkende Staffa met zijn beroemde zeegrot. Fingal’s Cave staat bekend om zijn natuurlijke akoestiek. De grot is vernoemd naar de gelijknamige hoofdpersoon uit een heldendicht dat werd geschreven door de 18e-eeuwse Schotse poëet en historicus James Macpherson. Fingal’s Cave bestaat helemaal uit zeshoekige, met elkaar versmolten basaltzuilen, die zijn ontstaan tijdens een paleocene lavastroom. De structuur van de grot lijkt op die van de Giant’s Causeway in Noord-Ierland. Op deze plaatsen veroorzaakte afkoeling van de bovenste en de onderste lagen van het gestolde lava inkrimpingen en scheuren, waardoor er zich eerst een blokvormig vierkant patroon vormde dat overging in een zeshoekig breukpatroon met verticale breuken in de richting van de afkoelende oppervlakte.  Door het afkoelen scheurden deze breuken geleidelijk verder naar het midden van de lavastroom, en zo werden de lange zeshoekige zuilen gevormd die nu te zien zijn in de door golven uitgesleten dwarsdoorsnede.
Je kunt een wandeling maken langs de rotsen naar de grot of kiezen voor een wandeling naar de andere kant van het eiland, waar een grote kolonie papegaaiduikers nestelt. Wij kiezen voor het laatste. Het is geweldig. Een papegaaiduiker landt bijna in mijn armen. Ze vliegen af en aan en strijken neer voor je voeten. Helemaal happy stappen we weer op de boot, die ons afzet op Iona. Daar was ik al eens eerder, maar vandaag zie ik het pas echt.
We lunchen op de bankjes voor de abdij en sluiten aan bij een rondleiding. In 565 stichtte de Ier, Columba een klooster dat bijzonder grote invloed op deze noordelijke streken van Europa had. Vanuit Iona verspreidde zich een netwerk van kloosters en bisdommen dat zich uitstrekte over heel Schotland en Ierland en zelfs tot in het Saksische gebied van Northumbria. Het eiland werd een heilige plaats waar verschillende koningen van Schotland, Ierland en Noorwegen werden begraven. In 806 werd de gehele populatie van het eiland uitgemoord door de Vikingen. Nog enkele aanvallen volgden en het klooster raakte in verval. Margaretha van Schotland herstelde het weer. In de 13e eeuw is het een benedictijner klooster geworden. In 1938 stichtte ds. George MacLeod op het eiland de Iona Community, een oecumenische gemeenschap die naar nieuwe wegen zoekt om het evangelie in deze tijd vorm te geven.
Omdat we het wel eens met onze eigen ogen willen zien waar Columba voet aan wal zette, wandelen we naar Columba Bay, waar we tussen de schapen een moment van bezinning op het keienstrand inlassen. Wat een plek!
We eten in het St. Columba Hotel en gaan dan, lang nadat de laatste veerboot is vertrokken, per zeilschip (op de motor) naar de overkant, maar dat gebeurt niet eerder dan dat de schipper zijn stem heeft uitgebracht voor het Europees parlement. De kans is groot dat de Britten vertrekken uit de EU. Ik zal ze missen, maar ik verlaat ze niet.

 

Verkassen

Schotland, deel 5

Na het laatste superontbijt in Carnaburg Guesthouse, verkassen we naar de andere kant van Mull. Onderweg is er voldoende tijd voor een wandeling, want Mull is niet zo groot. Even groot als Zeeuws-Vlaanderen zegt Wikipedia, maar dat zegt me nog niet veel, want hoe groot is Zeeuws-Vlaanderen? Ja, net zo groot als Mull ……
Vandaag wandelen we bij Lochbuie;  een nederzetting aan een zeearm,  22 kilometer ten westen van Craignure. We rijden over smalle singletrack wegen door een dal waar rododendrons uitbundig bloeien. Goeie timing!
Tijdens de wandeling passeren we een kerkje, een mausoleum, een steencirkel, een middeleeuws kasteel en verschillende cottages. Dat gecombineerd met het uitzicht op zee en bergen maakt het tot een magnifieke tocht. We lunchen op het strand. Dat er voor de derde dag op rij niks klopt van de bestelde lunches lijkt niemand te deren. Alles smaakt goed in de Schotse buitenlucht.

Na de wandeling rijden we naar Bunessan. Daar ligt aan Ardalanish Bay, Ardachy House Hotel. Het werd nog niet zo lang geleden overgenomen door Chris en Jo Roberts. Het hotel ligt op een bijzonder fraaie plek, aan een doodlopend weggetje, met een zandstrand naast de deur. De gastvrouw blijkt ook nog eens een prima kok. We eten drie avonden ter plekke en dat is fijn want als we ’s middags terugkeren van het wandelen is er nog voldoende tijd om te relaxen.

Op donderdag beklimmen we Ben More. Deze munro meet 966 meter. Die gaan we omhoog en ook weer naar beneden. Dat is sneller getypt dan gedaan. Een uur of zes zijn we onderweg. Het beklimmen van een berg is met geen enkele wandeling te vergelijken. Het vraagt een beetje doorzettingsvermogen en er zijn momenten waarop ik mezelf voor gek verklaar en toch maar doorga. We halen allemaal de top, die in nevelen gehuld is, en keren op eigen tempo terug naar zeeniveau. Bij de weg naar beneden wordt me pas duidelijk hoeveel we geklommen zijn.

 

Van een eiland naar een eiland

Schotland, deel 4

We nemen een kleine ferry naar het eiland Ulva. In 2018 werd het verkocht aan een groep mensen die er een zelfvoorzienende, duurzame gemeenschap van willen maken. Ik vraag me af hoe het zou zijn: leven op zo’n afgebakend paradijselijk stukje wereld. Zou je het dan nog steeds als een paradijs ervaren?
Het kleine eiland is lieflijk en groen. We maken wederom een prachtige wandeling. Het is heerlijk weer en we genieten van uitzichten, planten en bloemen.

Tijdens de lunchpauze blijken de Zweedse Eva en de Amerikaanse Tracy middenin een tekennest te zitten. De nare spinnetjes kruipen overal, op kleding, handen en zitmatjes. Kalm blijven is de enige optie en zoals eerder opgemerkt is onze gids daar een kei in. Tracy is van slag door het incident en is stilletjes aanwezig de rest van de middag. Dat is vrij uitzonderlijk voor de Amerikaanse.
Aan het einde van de wandeling drinken we wat bij de Boathouse en verorber ik een stuk carrotcake. In mijn lunchpakket zat ook al een zeer calorierijke snack en het is maar de vraag of ik dat er allemaal afloop in een week. Ik weet het antwoord al.

In Tobermory rest ons nog wat tijd om te winkelen voordat we gaan eten in de pub. Er gaat een groot glas bier over de tafel, het eten is matig. Het wordt tijd om Tobermory te verlaten.  Morgen zullen we naar de andere kant van Mull vertrekken. Ik pak mijn koffertje weer in.

Links:
http://www.ulva.scot
http://www.carnaburg-guesthouse.co.uk

 

Wandelschoenen aan en gaan

Schotland, deel 3

Op zondag maken we een wandeling op Treshnish, een van de vele kapen die het eiland Mull rijk is. We lopen op duizelingwekkende hoogte over de kliffen, met prachtig zicht op de kustlijn en de Treshnish Isles. De heuvels zijn bedekt met bluebells (boshyacinten) er groeien diverse orchideeën, azalea’s en allerhande plantjes (butterwort en common bird’s-foot trefoil, ook wel eggs and bacon genoemd vanwege de rood/gele kleur). Een schapenpaadje dat ons terugvoert naar het beginpunt is moeilijk te vinden. Een kwestie van goed zoeken. We vinden het overwoekerde pad en klauteren omhoog. Ons eerste klimmetje hebben we te pakken. Liepen we eerst in de zon, nu lopen we met ons hoofd in de wolken. De jasjes, die we gaandeweg de wandeling hebben uitgetrokken, kunnen uit de tas om later toch weer opgeborgen te worden.

We komen langs restanten van huizen. Het schijnt dat hier ooit een kleine nederzetting was. Deze is verlaten vanwege een uitbraak van tyfus.
Op de terugweg naar Tobermory stoppen we nog even voor een strandbezoek bij Calgary Beach. Vroegere inwoners van dit Schotse Calgary zijn inderdaad degenen die de gelijknamige stad in Canada hebben gesticht. Door een berekeningsfoutje van gids en chauffeur, Richard,  schampen we een hek en loopt het busje averij op. Zijn koelbloedigheid is bewonderenswaardig. Terwijl wij pootjebaden en schelpen zoeken, poetst hij zo goed en zo kwaad als het kan de ergste strepen van de bus en zorgt ervoor dat hij niet nog een keer door het hek moet, maar via de andere kant het terrein kan verlaten. Praktisch en stressbestendig, zo gaan wij ons deze Richard herinneren.
Het diner is dit keer bij Café Fish,  met weliswaar een minder uitzicht dan de dag ervoor,  maar met eten dat vele malen beter is. Goddelijke vissoep, hemelse coquilles en een onweerstaanbaar nagerecht met een flinke scheut Tobermory whisky. Het moest er toch een keer van komen.

En nu naar Mull

Schotland, deel 2

Als ik ontwaak in mijn bezemkast, gluur ik door het raampje. Het regent; die typische Schotse regen, iets wat het midden houdt tussen motregen en gestage neerslag. Je wordt er dus gewoon nat van. In het souterrain van East Claremont House is een ontbijtruimte ingericht met een piepklein keukentje, waar de gastheer zich wijdt aan de Schotse ontbijtkookkunst. Of ik cooked breakfast wens? Natuurlijk wens ik dat en doe maar alles wat erbij hoort. Eieren, scrambled, poached, of fried? Een gast die vraagt naar een cooked egg, wordt niet begrepen. “Boiled”, help ik hem. Geen idee waar de man vandaan komt, het zou zomaar een Nederlander kunnen zijn. Uiteindelijk neemt hij helemaal geen ei. Ik smul van mijn Scottish cooked breakfast en kan er voorlopig even tegen. Vanwege het weer besluit ik naar het station te lopen en nog een beetje rond te kijken in het winkelcentrum. Daar heb ik het snel gezien en ik neem de trein naar Glasgow, waar ik vroeg in de middag mijn reisgezelschap zal treffen.
Het grijze Schotse landschap glijdt aan me voorbij. Soms wordt het opgevrolijkt door sappige groene weiden en velden met koolzaad. In een kleine anderhalf uur reis ik van Edinburgh naar Glasgow. Omdat ik aan de vroege kant ben, loop ik nog even de stad in. Ik zie veel zwervers en veel elektronische sigaretten. Het zijn zo van die dingen die opvallen.
Rond een uur of een meldt de gids zich in de stationshal. De dame waar ik al een tijdje naast zit, blijkt Beth uit Nieuw-Zeeland te zijn. De Zweedse vriendinnen, Ann en Eva, beiden gepensioneerd tandarts, komen net aanlopen en Jörg en Cornelia, het echtpaar uit Duitsland, is ook in de buurt. De Amerikaanse Anne en Tracy zullen zich in Oban bij ons voegen.
De stemming zit er gelijk goed in. Tegen de tijd dat we in Oban zijn, zo’n 2,5 uur later, lijkt het of we elkaar al weken kennen.

In Oban hebben we tijd om te genieten van verse vis bij een stalletje. Hot smoked salmon, daar kunnen ze mij voor wakker maken. Het smaakt turfachtig, als de whisky van de eilanden van de westkust.
Moeder en dochter Anne en Tracy zijn in Oban en reizen met ons mee naar Mull. De oversteek met de Calmac ferry duurt ongeveer een uur. Cornelia, Beth en ik brengen de reis door aan dek. Het is weliswaar niet helemaal droog, maar de frisse lucht is heerlijk, na een dag trein en bus.

Na aankomst in Craignure is het een uur rijden naar Tobermory. In een van de befaamde gekleurde huizen aan de haven, Carnaburg Guest House, zullen we tot dinsdag verblijven. Vanavond dineren we bij het Western Isles Hotel. Het uitzicht is helaas beter dan het eten. Als we teruglopen naar onze guesthouse ligt Tobermory sprookjesachtig verlicht aan onze voeten. De verwachtingen voor de dag van morgen zijn hoog gespannen.

 

Edinburgh

Schotland, deel 1

Voorafgaand aan een wandelweek op het eiland Mull, bezoek ik het Schotse Edinburgh. Vanaf het vliegveld reis ik per tram probleemloos naar de binnenstad. Een tramkaartje heb ik thuis via internet gekocht. Reizen anno 2019!

Tijdens het ritje in de tram word ik afgeleid door een jongetje in schooluniform met Superman rugzak en zijn moeder. Moeder heeft een flinke pancake op het gezicht en draagt een minirok, het is immers 14 graden en de zon schijnt. In Schotland staat dat gelijk aan zomer. Ik probeer hun gesprekken te volgen. Ze hebben het over een natuurkundig verschijnsel en ‘mom’ zoekt op hoe het zit op haar smartphone. Ik vind hun taalgebruik verrukkelijk en moet lachen om het ondeugende jongetje dat onder dat keurige uniformpje verstopt zit. Ze stappen uit bij Waverley Station.
Ik verlaat de tram bij York Place, niet ver van mijn Bed & Breakfast, zegt Google Maps. De weg ernaartoe loopt omhoog over keien. Ik hoop dat de wieltjes van mijn rolkoffer dit overleven. Ik sla een bocht om, sta voor de B&B en bel aan. Er wordt niet opengedaan. Ik bel het nummer dat op het bordje staat naast de bel en krijg iemand aan de lijn, die belooft er over twee minuten te zijn. Het worden er vijf.
Mijn kamertje heeft het formaat van een bezemkast. Wonderbaarlijk genoeg past er een bed in.  Er is een toilet, douche, wastafel en een kastje, waarin de niet te versmaden waterkoker en föhn hun plek hebben gevonden. Aan het kastdeurtje hangt een strijkplank in miniformaat. Een strijkijzer had ik zelf moeten meenemen, want dat vind ik niet. Nou valt er ook niks te strijken, dus dat komt goed uit. Het vereist wat improvisatievermogen, maar de waterkoker kan, zittend op de grond, worden gebruikt. Ik maak een kop koffie en laat me de bijgeleverde gemberkoekjes smaken. Het raampje naast mijn bed kijkt uit over de tuintjes van Victoriaanse huizen, later zal blijken dat het hier gaat om Georgiaanse architectuur. Tochtdicht is het raampje niet.

Na een kop koffie verlaat ik de B&B om de stad te verkennen. Ik loop naar Waverley Station en pik daar de route op van een stadswandeling die ik heb gedownload bij https://www.walkhighlands.co.uk/. Deze website is trouwens een aanrader als je wilt wandelen in Schotland.

Het centrum van Edinburgh bestaat uit Old Town en  New Town. De Old Town heeft een kasteel en een hoofdstraat met stegen in visgraatpatroon. Deze hoofdstraat wordt de Royal Mile genoemd. Op de Royal Mile stort een zeepbellenmachine duizenden bellen uit over het plein, er is vertier en vermaak. En ja, natuurlijk is de Royal Mile erg toeristisch. Toch is de wandeling door het middeleeuwse hart van Edinburgh op deze zonnige middag een cadeau. In Schotland moet je van de zon genieten als die er is. Trouwens, waar niet? Ik zwerf door de straten en bezoek Greyfriars Kirk. De eerste kerk die in Edinburgh werd gebouwd na de reformatie. Op het kerkhof is het graf  van Greyfriars Bobby, een Skye Terrier die 14 jaar lang bij het graf van zijn overleden baas bleef wachten. Greyfriars maakt niet daardoor indruk op me. Het zijn de 16e-eeuwse graven en de weelderige begroeiing die deze plek voor mij tot een hoogtepunt van mijn stadswandeling door de Old Town maken.

De New Town is een schoolvoorbeeld van een zorgvuldig geplande stadsuitbreiding uit de 18e eeuw, een vinexwijk avant la lettre. Het is de wijk rondom de winkelstraten Princes Street, George Street en Queen Street, waar de Georgiaanse bouwstijl domineert. De stijl kenmerkt zich door strakke lijnen en contrasterende kleuren. Aan het type auto dat voor de deuren staat, kun je zien dat hier tegenwoordig de beterbedeelden wonen. Ik vermoed dat wonen in de New Town hip is.
De zon heeft plaatsgemaakt voor een herfstachtige koude wind. Ik eet een pizza in een restaurantje, drink nog een kop koffie in mijn bezemkast en kruip diep onder het dekbed, een tochtstroom gaat langs mijn haren.

Boswachterspad; Olde Smildeger

Staatsbosbeheer heeft wandelingen laten bedenken door boswachters die in de verschillende gebieden werkzaam zijn. Daar mag je wat van verwachten. Wie zou immers de mooiste paden en paadjes kennen? Ik denk dat de boswachter een heel eind komt.
En dus geven we het Boswachterspad Olde Smildeger een kans.

In Hoogersmilde, een dorp aan de Drentse Hoofdvaart, is de start van de 16 kilometerlange route.Via een verharde weg, bereik je hier al snel de bossen van het Drents-Friese Woud. Het is een echte boswandeling dit Boswachterspad. Een enkel ven en een paar stukjes heide zijn er ter afwisseling, maar verder is het vooral bos. Nu heb ik geen hekel aan bos, maar dit bos is niet zo interessant, een beetje saai. Kortom, we zijn lekker buiten, maar er zijn mooiere routes denkbaar dan deze. Maar laat je vooral niet ontmoedigen. Wat de een mooi vindt, vindt de ander niks en ik ben me ervan bewust dat ik een verwend mens ben als het gaat om bossen. Ik woon in het oude landschap rond Ruinen en Dwingeloo en ken de bossen rond het Dwingelderveld, Havelte en Uffelte als mijn broekzak.

Alle informatie over de wandeling vind je hier

  

Het Nijenhuis, Heino

Met mijn dochter bezoek ik vandaag het Nijenhuis, de dependance van Museum De Fundatie in Zwolle. Het is niet de eerste keer dat ik in het Nijenhuis ben en wandelen in de omgeving deed ik er ook vaker. Maar het maakt niet uit hoe vaak je er komt, het blijft er beeldschoon.
We lopen eerst de ronde door de beeldentuin. De kunstwerken zijn heel divers, van klassiek tot modern, van stemmig grijs tot schreeuwend oranje. Er staan ook een aantal kunstwerken die op Lowlands stonden. Wij zijn vooral erg gecharmeerd van de metalen bol van Ronald Westerhuis, Rawsome (2011). Het object nodigt uit tot het maken van interessante foto’s.
Na de beeldentuin doen we een rondje door het kasteel. De collectie van verzamelaar, museumdirecteur en kasteelheer Dirk Hannema, zijn hier te bewonderen. Kleurrijk, divers en interessant. Echter de kunst die ons vanmiddag nog het meest beroert, is de natuur; de Magnolia’s bloeien uitbundig; een zee van zachtroze.

 

Halverwege de middag maken we vanuit het Nijenhuis een wandeling van ruim 10 kilometer; De Landgoedwandeling Heino. Op deze prachtige voorjaarsdag is dat een groot feest. De stinzenplanten zijn op hun mooist. We lopen door een eeuwenoud landschap, met majestueuze bomen, over eindeloze zandwegen, langs boerderijen en langs havezate Het Reelaer. Bij rustpunt Overkempe maken we voor onszelf een lekker kopje koffie.
Aan het eind van de wandeling wacht ons helaas nog een minder plezierige natuurbeleving. De weg van het station naar het Nijenhuis, was aan weerszijden beplant met Amerikaanse eiken. Alle bomen zijn omgehakt; een trieste aanblik. Later lezen we dat ze uit voorzorg zijn weggehaald. De takken kunnen breken en verkeersdeelnemers schade toebrengen. De bomen zijn oud, waardoor er bijna jaarlijks onderhoud aan gepleegd moet worden. Een centenkwestie. Er komen nieuwe bomen voor in de plaats. Ook in de toekomst moet je iets hebben om om te zagen. En dan lees ik ook nog dat de Amerikaanse eik eigenlijk maar een saaie boom is. Inderdaad, stukken minder saai nu. Honderd bomen omzagen van minstens honderd jaar oud. Hoe durf je?

51699228_243195043140401_5283884758492959152_n

Voorjaar in de winter in Haren

Het kan tegenwoordig allemaal, zomer in de herfst, herfst in de winter en nu dus ook voorjaar in de winter. Het is fijn, maar het is ook heel raar en ik raak er een beetje door in de war. Het is natuurlijk lekker weer om te wandelen en omdat het vakantie is, doe ik dat deze week uitgebreid en vandaag in de omgeving van Haren. Met een select gezelschap lopen we vanaf het station richting natuurgebied Sassenhein, waar je in het gelijknamige paviljoen koffie kunt drinken.
Verder gaat onze tocht over rustige weggetjes en zandpaden, langs kapitale villa’s en langs het Voedselbos in Glimmen. Een voedselbos combineert het systeem van een natuurlijk bos met duurzame landbouwproductie gebaseerd op de principes van de permacultuur. De drie ethische principes van de permacultuur, zorg voor de aarde, zorg voor de mens en het delen van overvloed vormen volgens de zussen Madeleine en Marlies de voorwaarde voor een duurzame levenswijze. Het voedselbos is nog in aanleg en er moet nog een boel gebeuren, maar de contouren zijn zichtbaar en de passie voelbaar. De zussen hebben hun huis verkocht en hun ziel en zaligheid in het project gestoken. Over een jaar nog maar eens langs gaan om te kijken hoe de zaken ervoor staan.
Onze wandeling gaat langs de Appelbergen, een voormalig militair oefenterrein met bos, heide en horeca. Het is een drukte van belang. We bekijken met belangstelling de moeders die weerstand moeten bieden aan kroost dat ijs wil en niks anders. Wij lieten deze levensfase allemaal lang achter ons en hebben dus makkelijk praten; wij zouden het natuurlijk heel anders aanpakken.

Net voordat we Haren bereiken lopen we door het Scharlakenbos. Een rommelig stukje bos op heuvelachtig terrein. Ik lees dat de Gemeente Haren er een beetje mee in de maag zit. Het stukje natuur vraagt onderhoud, maar zo te zien zijn er weinig partijen die voor de kosten daarvan willen opdraaien en dat is niet erg, want een beetje verrommeling is eigenlijk wel fijn in zo’n keurige omgeving.

Simpelweg Steenwijk

Ik mag het eigenlijk niet verklappen, maar ik doe het toch. Ik vind het een hele prestatie en getuigen van lef, om een tocht met een groep te lopen, terwijl je het gebied alleen van de kaart kent. Dan moet je een boel kaartleesskills en een flinke dosis vertrouwen in een goede afloop hebben. Ik ken iemand die dat allebei heeft. Nee, het is geen man. Daarmee is het vooroordeel dat vrouwen geen kaart kunnen lezen ook direct uit de wereld. Het gaat hier om wandelmaatje, Loes.

Loes neemt ons mee in de omgeving van Steenwijk. Vanaf het station lopen we richting snelweg. De groene long van Steenwijk ligt aan de andere kant van de A32. Het is een exquise stukje bos en ook niet zomaar een bos, maar het landgoed van de adellijke familie Van Karnebeek. Het grootste deel van landgoed, De Eese, ongeveer 800 ha, is in handen van deze familie. Een kleiner deel is in het verleden verkocht aan Staatsbosbeheer. De buitenplaats de Eese is sinds 2006 erkend als rijksmonument. Tot de beschermde delen behoren, volgens de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, het huis ‘De Eese’, de historische tuin- en parkaanleg, het jachthuis annex boerderij ‘St. Hubert’, een boerderij, het houten landhuis, de rentmeesterswoning met schuur, het koetshuis annex garage en paardenstal en een landbouwschuur. Het ligt er allemaal pico bello bij en spreekt tot onze verbeelding. Er gaan geruchten dat de koninklijke familie hier regelmatig verblijft, ja zelfs gesignaleerd is in het zwembad van het landgoed.

We drinken koffie bij Fredeshiem. Op het terras notabene! Dat is natuurlijk bizar want het is half februari.
De oorsprong van Fredeshiem (‘erf van vrede’) moet worden gezocht in Engeland, bij de inspirerende invloeden van het Engelse Quakerscentrum in Woolbrook.
Tjeerd Oeds Hylkema (1888-1962) bezocht in het begin van de vorige eeuw tijdens zijn studietijd meerdere malen dit internationale studiecentrum van de Quakers en raakte onder de indruk van het frisse en dienende christen-zijn zonder al te veel gepreek. Bij Hylkema groeide de wens voor een eigen oord om tot rust en bezinning te komen, een centrum voor jong en oud, waar het geloof kon worden beleefd.
Samen met 3 broeders ging Hylkema op zoek naar een geschikte plaats, maar in Friesland werd deze zoektocht geen succes. Tijdens een dienst in Steenwijk vertelde hij over hun vruchteloze zoektocht. Een van de gemeenteleden maakte hen vervolgens attent op het uitgestrekte landgoed De Eese. Hylkema bedacht zich geen moment, dezelfde week was de koop afgerond. In 1929 was het Friesch Doopsgezind Broederschapshuis Fredeshiem een feit.
In de jaren ’70 kregen ze voor het eerst te maken met serieuze problemen. Niet alleen vergrijsde de broederschap, de doopgezinde kenmerken van soberheid en eenvoud kwamen haaks te staan op de toenemende vraag naar kwaliteit en comfort. Vandaag de dag is Fredeshiem aangepast aan de tijd van nu en met de naam “Buitengoed Fredeshiem” is het oude broederschapshuis de weg naar de toekomst ingeslagen en herbergt inmiddels een uitstekend hotel en restaurant.

 

Magische middag in Belvedère

Ik ben bij museum Belvedère in Oranjewoud. Op de bonnefooi ben ik er langs gegaan, omdat ik er toevallig langskwam. En, ik val met mijn neus in de boter, want twee dagen voor de officiële opening, kan ik al uitgebreid genieten van de expositie Making Nature van Ruud van Empel. Ik kijk naar collages van foto’s van boomstammen, bloemen, bladeren en cactussen. De foto’s zijn op een of andere manier bewerkt, maar hoe? Hoe heeft de kunstenaar dit in vredesnaam voor elkaar gekregen? Het is kleurrijk, intrigerend werk. Je ontdekt voortdurend van alles op de magische foto’s van Van Empel.
Museum Belvedère is een prettig museum dat bestaat uit twee delen, met daar tussenin het restaurant met een geweldig uitzicht op paleis Oranjewoud. Het is heerlijk om je bezoek in tweeën te delen en tussendoor even te genieten van het uitzicht met een kop koffie en een stuk oranjekoek. Ik ben immers in Friesland en ik heb bedacht mijzelf vanmiddag te verwennen.
In het andere deel van het museum wordt 100 jaar schilderkunst in Friesland getoond. Een afwisselende tentoonstelling, die ook zeer de moeite waard is.

 

Blog op WordPress.com.

Omhoog ↑